déja-vu
Misschien is het omdat ze hier in ons vakantieoord Frans spreken, maar bij aankomst had ik een déja-vu. Nee, ik ben hier nog nooit geweest, maar toen we ons vakantiehuisje binnenkwamen, was het heel hip, zo schijnt het, gedecoreerd met een Boeddha-beeld. Hetzelfde overkwam ons vorig verlof. Het appartement in Leiden dat we toen huurden, stond ook vol beelden, waaronder zo’n zelfde Boeddha. Ongeveer 10 minuten later stond hij met z’n andere gesneden makkers in de kast.
Als we hier binnenkomen valt mij vooral de comfortable bank op en het mooie uitzicht. Zoveel groen heb ik in twee jaar niet gezien. Ik wrijf mijn ogen uit. Thom ook. “Mama, wat doet die Butta (Japanse naam voor Boeddha) hier?” Ik zie hem huiveren. Luchtig antwoord ik hem dat het bedoeld is als exotische decoratie. Een paar minuten later valt Berend in zijn ontdekkingtocht door het huisje de woonkamer binnen. Ook hij spot het bruine beeld op de kast meteen. Hij is in de war. “Maar dat is toch niet goed! Zo’n Boeddha hoort hier niet.” Julie kent zijn naam niet, maar eist een paar minuten later het vertrek van die “slechte Japanse god”. Traantjes springen in haar grote blauwe ogen.
Ze hebben gelijk. Ik kan het ook niet aanzien. Dat zogenaamde vredelievende, rustgevende, meditatieve Boeddhisme lijkt dan misschien op z’n minst decoratief nuttig te zijn, maar ik trap er niet in. Al jaren is het één van de grootste struikelblokken of hindernissen van evangelisatie onder Japanners. Elke dag worden we er mee geconfronteerd. Maar nu even niet. Niet tijdens de vakantie. Geen déja-vu’s meer. Zeker niet als het de kinderen van streek maakt. Impulsief grijp ik de theemuts die er naast staat. En die heeft hij nu op z’n kop.